f
Flora & Fauna

 

Wilde Bijen

 

Download lijst bijen Zuidwolde

Bijenhotel materialen en ervaringen.


Algemeen
Wanneer je praat over een bij dan denk je in eerste instantie meestal aan een honingbij.
Honingbij (Apis mellifera) zoekt nectar op Akkerdistel.
(foto  Anne Jan Loonstra)

 

Honingbijen leven in een sociale gemeenschap en verzamelen samen een grote hoeveelheid nectar en stuifmeel. Van de nectar maken  ze honing en gebruiken het  als wintervoorraad. Vanwege die honing worden honingbijen  al eeuwenlang door mensen gehouden. Imkers halen voor de winter de honing weg en voeren de bijen dan voor de winter bij met suikerwater.
Naast honingbij komen er nog 350 andere soorten bijen (inclusief hommels) voor in Nederland, die we wilde bijen noemen. Wilde bijen zijn ongevaarlijk voor de mens, voor een steek hoeft men niet bang te zijn. Wilde bijen zullen alleen steken wanneer zij fysiek bedreigd worden.

 

Vliegtijd en generaties
Bijen zijn in Nederland waar te nemen meestal vanaf eind februari tot eind oktober. Zeer vroeg in het jaar zijn het vaak de hommelkoninginnen die men het eerste ziet. Vanaf eind maart/begin april begint er aanzienlijk meer te vliegen zoals veel soorten Zandbijen (Andrena). In april- juni is de diversiteit doorgaans het hoogste. In de maanden juli-augustus vliegen er typische hoogzomersoorten. Soorten die zeer laat in het jaar worden waargenomen (september-oktober) zijn vaak soorten die als volwassen bij de winter in hun nest doorbrengen.
Veel soorten hebben slechts één generatie per jaar, bijvoorbeeld de Grijze zandbij.

Vrouwtje van de Grijze zandbij (Andrena vaga) brengt stuifmeel naar het nest.
(foto  Anne Jan Loonstra)

 

Deze soort vliegt in de periode van half maart-begin mei. De rest van het jaar ontwikkelen de bijen zich in hun nesten en overwinteren ook daar om pas het jaar erop te verschijnen. Andere soorten hebben twee generaties per jaar, de eerste vliegt in het voorjaar en brengt de tweede generatie voort die in de zomer vliegt. De tweede generatie zal de winter in de nesten doorbrengen en verschijnt het jaar erop weer in het voorjaar (en is dan de eerste generatie van het nieuwe jaar).

 

Solitair en sociaal
Wilde bijen leven in veel gevallen solitair, dat houdt in dat elk vrouwtje zelf een nest aanlegt en dit bevoorraadt. Doorgaans mijden vrouwtjes elkaar. De nesten worden solitair of in aggregatieverband (een groep nesten bij elkaar) aangelegd. In Nederland kennen we ongeveer 40 soorten bijen (inclusief de hommels) met verschillende gradaties in sociaal gedrag. Enkele soorten leven communaal, hierbij gebruiken meerdere vrouwtjes dezelfde nestholte. Bij enkele soorten is er sprake van een taakverdeling binnen het nest zoals het aanleggen en bevoorraden van de broedcellen, één vrouwtje is dominant en legt de meeste eieren.
Steenhommelkoningin zoekt nectar op Klaverbloem.
(foto  Anne Jan Loonstra)


Hommels staan na de honingbij het hoogst op de sociale ladder, zij kennen een koningin en werksters. Alleen de koningin legt eieren, de werksters bouwen broed- en voorraadpotten en zorgen voor de larven. Zij zullen nooit zelf eieren leggen.

 

Nestelwijze en nestelplaats
Bijen delen met o.a. graafwespen, spinnendoders en plooivleugelwespen de eigenschap dat zij hun nakomelingen op laten opgroeien in een speciaal aangelegde kamer, een broedcel. Deze broedcel is onderdeel van een nest dat meestal uit meerdere broedcellen bestaat al dan niet aan een centrale hoofdgang of in een specifieke rangschikking.

Bijen kunnen op uiteenlopende plaatsen hun nesten aanleggen. Nesten kunnen ondergronds worden aangelegd door zelf een gang met broedcellen te graven. Op geschikte plaatsen zoals zandverstuivingen, open bermen of aarden wallen en steilkantjes maar ook tussen de tegels in trottoirs worden nesten aangelegd. Hommels betrekken vaak verlaten muizenholen.
Akkerhommelnest in verlaten muizenhol
(foto  Anne Jan Loonstra).

 

De open zandige plekken in de westrand van het vlinderommetje bieden uitstekende nestgelegenheden voor deze soorten. Ongeveer 75% van de Nederlandse bijensoorten nestelt ondergronds.

Bovengronds worden nesten in bestaande holten aangelegd, bijvoorbeeld in hout in de verlaten knaaggangen van kevers, dode plantenstengels als braam of riet. Enkele soorten knagen zelf een gang of bouwen een vrijhangend nest. In de nesten worden één tot meerdere broedcellen aangelegd. Wanneer de holte vol is, wordt de nestgang afgesloten. De Boomhommel maakt vaak gebruik van mezenkasten als nestplaats. Ongeveer 25% van de Nederlandse bijensoorten nestelt bovengronds.

 

Broedzorg
Elke broedcel wordt bevoorraad met een mix van stuifmeel en nectar, de samenstelling en verhouding hiervan is per soort verschillend. Daarop wordt één ei gelegd. De larve die daar uit komt eet de voedselvoorraad op en volgroeit en verpopt in de broedcel. Het jaar erop komt de volwassen bij uit het nest tevoorschijn.
Broedcel van Donkere rimpelrug (Andrena bimaculata) met bol van nectar en stuifmeel en daarop een ei.
(foto  Anne Jan Loonstra)


Sommige bijen leggen niet zelf en nest aan maar maken gebruik van een bevoorrade broedcel van een andere bij (gastheer). Dit noemen we broedparasitaire bijen, ook wel koekoeksbijen genoemd. Vrouwtjes van deze koekoeksbijen bezitten dan ook geen dichte verzamelharen meer zoals de gastheer die heeft, die zijn overbodig geworden. Zij wachten tot de gastheer het nest verlaat en leggen een ei in een nog niet afgesloten broedcel of breken in. Soms doden zij het ei van de oorspronkelijke bewoner. Weer andere  soorten laten dat over aan de larve die uit hun ei komt.

 

Bloembezoek
Bijen bezoeken bloemen voor hun eigen energievoorziening en verzamelen hierop voedsel voor hun nakomelingen. Bijen kunnen een specifieke voorkeur voor een bepaalde plant of plantenfamilie kennen, dit noemen we oligolectie. Het vrouwtje verzameld dan uitsluitend het voedsel op één plant of op één plantenfamilie. Sommige soorten verzamelen voedsel op allerlei plantenfamilies, dit noemen we polylectische bijen. Oligolectische bijen zijn meestal veel kwetsbaarder als polylectische bijen. Bij het verdwijnen van de geschikte voedselplant verdwijnt ook de bij. Zonder bloemen geen bijen.

In de Vlindertuin wordt gezorgd voor voortdurende bloei van allerlei soorten planten en heesters.
(foto Joop Verburg)

 

Bescherming
Alle bijensoorten, zowel de honingbijen als de wilde bijen hebben het moeilijk. Hoewel bijen van levensbelang zijn voor de bestuiving en dus voor de mensen, zijn het juist menselijke activiteiten die hen bedreigen (insecticiden, herbiciden, grootschalig intensief maaibeheer, ruilverkaveling en algehele biotoopvernietiging door bouwerkzaamheden). Bijen verdienen onze aandacht en verdienen het om beschermd te worden door op een meer natuurlijke en onschadelijke manier te werken en door de leefomstandigheden te verbeteren. Natuurbeheerders kunnen meewerken aan bescherming door in het beheer van hun gebieden rekening te houden met deze groep.

 

Wat kunt u zelf doen?
Er komen in tuinen en parken vaak meer bijen voor dan je in eerste instantie vermoed. Om de bijen een handje te helpen of meer soorten aan te trekken kunt u op eenvoudige wijze zelf een aantal basisingrepen doen die het voor de wilde bij een stuk aantrekkelijker maken. Zorg voor gevarieerd aanbod van inheemse flora het gehele jaar door. Belangrijke plantenfamilies zijn Schermbloemen, Composieten, Kruisbloemen, Vlinderbloemen, Rozenfamilie en de Wilgenfamilie.

Zwartbronzen zandbij (Andrena nigroaenea) nectar zoekend op wilgenkatje.
(foto  Anne Jan Loonstra)

  
Nestgelegenheid kunt u creëren door een bijenhotel op te hangen van bijvoorbeeld houtblokken met (gaaf) geboorde gaten van verschillende diameters, bijeengebonden riet of bamboestengels of door overkapte bakken met zand of leem te plaatsen. Uitgebreide informatie voor het zelf maken van een nestgelegenheid voor bijen en meer informatie over geschikte drachtplanten kunt u vinden op www.bijenhotels.nl of www.wildebijen.nl.

 

We kunnen in onze eigen omgeving meer voor bijen doen dan we vaak denken. We weten er alleen zo weinig van. Wankja Ferguson is lid van onze vlinderwerkgroep en zij heeft veel studie gedaan naar wilde bijen. Zij heeft een nieuwe lijst opgesteld, waarin veel te vinden is over bijensoorten en de eisen die zij aan hun omgeving stellen.

 

Bijenfamilies en soorten

In Nederland kennen we zes bijenfamilies die bestaan uit een groot aantal onderfamilies met een groot aantal geslachten. Hieronder worden de geslachten besproken die hier in Zuidwolde voor (kunnen) komen.

Pluimvoetbijen (Dasypoda)
De kampioen in het vervoeren van het meeste stuifmeel per fourageertrip is de Pluimvoetbij. De
vrouwtjes verzamelen voornamelijk op Gewoon Biggekruid hun voedsel.

Pluimvoetbij (Dasypoda hirtipes) beladen met stuifmeel bij nest in de zandgrond.
(foto Joop Verburg)

 

Nesten worden zelf gegraven in zandbodems. Langs de westrand van Zuidwolde en in Middelveen zijn op veel plekken de zandhoopjes te vinden waaronder de nestgangen verborgen liggen. Om de voedselvoorraad vrij van vocht of schimmel te houden vormt het vrouwtje drie kleine pootjes onderaan het stuifmeelballetje waardoor het niet teveel in contact komt met het zand.

Slobkousbijen (Macropis)
De vrouwtjes verzamelen olie van de Grote Wederik, die vermengd word met stuifmeel dat dient als voedsel voor de larven. Dit is uniek binnen de bijenwereld, doorgaans word stuifmeel vermengd met nectar. De Gewone slobkousbij dankt haar naam aan de wit met zwarte verzamelharen op de achterste pootjes van het vrouwtje, dit doet een beetje denken aan een afgezakt kousje of sokje. Nesten worden zelf gegraven in de bodem.

Slobkousbij (Macropus europaeus) verzamelt uitsluitend nectar en stuifmeel op de Grote wederik. (foto  Anne Jan Loonstra)

Dikpootbijen (Melitta)
Een klein en vaak onduidelijk kenmerk van deze bijen is een sterk opgezwollen laatste voetlidje,
vandaar de naam dikpootbijen. Lijken wat uiterlijk betreft veel op zandbijen. Op allerlei klokjes-soorten kan men de Klokjesdikpoot tegen komen, bijvoorbeeld Grasklokje. De vrouwtjes zijn voor de voedselvoorziening voor de larven volledig op klokjesbloemen aangewezen. Nesten worden zelf gegraven in de bodem.

Klokjesbijen (Chelostoma)
Klokjesbijen die we hier aan kunnen treffen verzamelen hun voedsel uitsluitend op klokjesbloemen (Campanula). Op allerlei klokjes-soorten kan men de Klokjesbijen tegen komen, bijvoorbeeld Grasklokje. De vrouwtjes zijn voor de voedselvoorziening voor de larven volledig op klokjesbloemen aangewezen. Nesten worden gemaakt in bestaande holten zoals oude kevergangen maar ook in aangeboden kunstnesten.

Tronkenbijen (Heriades)
Tronkenbijen lijken op kleine metselbijen en klokjesbijen. Voor het aanleggen van nesten gebruiken de vrouwtjes hars van bomen dat zij vermengen met aardedeeltjes. Nesten worden gemaakt in bestaande holten zoals oude kevergangen maar ook in aangeboden kunstnesten.

Metselbijen (Osmia en Hoplitis)
Metselbijen gebruiken allerlei holtes om hun nest in te maken, meestal in oude verlaten knaaggangen van kevers en vaak in kunstnesten. Enkele soorten hebben zich gespecialiseerd in het nestelen in verlaten slakkenhuisjes. Metselbijen danken hun naam aan het feit dat ze aarde of fijngekauwde plantendelen gebruiken bij het maken van een nest. De broedcellen worden onderling van elkaar gescheiden door gemetselde wandjes van aarde of fijngekauwde plantendelen. De meest algemene soort is de Rosse metselbij en kan zich al handhaven in een eenvoudige tuin. De holte kan opnieuw gebruikt worden door de nieuwe generatie die het jaar erop vliegt. Vrouwtjes bezitten een "buikschuier", dit is een dichte verzameling haren op de onderzijde van het achterlijf, hierop wordt het stuifmeel verzameld.
Rosse metselbij (Osmia bicornis) voor nestingang in een houtblok.
(foto  Anne Jan Loonstra)


Opengewerkte bamboestengel met broedcellen en pasgelegde eitjes van de Rosse metselbij (Osmia bicornis) Tussen iedere broedcel zit een gemetseld muurtje.
(foto  Anne Jan Loonstra)

Wol- en Harsbijen (Anthidium en Anthidiellum)
Wolbijen verzamelen plantenharen voor het bekleden van de broedcelwanden. Ze worden daarom
wolbijen genoemd. Harsbijen verzamelen hars en boetseren daar een vrijhangend nestje van, vandaar de naam Harsbijen. De Grote wolbij is vrij algemeen en vaak op Ezelsoor, Bosandoorn of Gewone Rolklaver aan te treffen. De Kleine harsbij vliegt graag op Vlinderbloemen.
Grote wolbij (anthidium manicatum) schraapt “wol” van planten om het nest mee te bekleden.
(foto  Anne Jan Loonstra))

Tubebijen (Stelis)
Tubebijen parasiteren bij bijen die in bestaande holten nestelen zoals Wolbijen (Anthidium), Tronkenbijen (Heriades) en Metselbijen (Osmia & Hoplitis).

Bladsnijder- en Behangersbijen (Megachile)
De vrouwtjes van deze bijen bekleden de nestwanden met stukjes blad. Alle blaadjes bij elkaar vormen een beschermend kokertje, in dit kokertje wordt de stuifmeel-nectarmix gebracht. De onderlinge broedcellen worden van elkaar gescheiden door een aantal opeengepakte ronde blaadjes. Langs de wanden liggen langwerpige blaadjes. Vrouwtjes bezitten een "buikschuier", dit is een dichte verzameling haren op de onderzijde van het achterlijf, hierop wordt het stuifmeel verzameld. Nesten in bestaande holten, soms zelf gegraven in de bodem. Mannetjes van bijvoorbeeld de Grote Bladsnijder hebben opvallend brede witte voorpoten. Je kunt behangersbijen met een vernuftig opgevouwen stukje blad tussen de kaken zien binnenvliegen bij de kunstnesten van het insectenhotel. Nederland: 13 soorten.
De Tuinbladsnijder (Megachile centuncularis) op zoek naar nectar.
(foto  Anne Jan Loonstra)

Rozenblad met ovalen stukjes blad uitgesneden.
(foto  Anne Jan Loonstra))

Grote bladsnijder ( megachile willuchbiella) breng stukje blad naar nestholte om de wand te “behangen”.
(foto A.J. Loonstra)

 

Kegelbijen (Coelioxys)
Kegelbijen parasiteren als Koekoeksbijen de nesten van Behangersbijen (Megachile). Ze verzamelen géén stuifmeel; reden waarom ze  een buikschuier missen. De Tuinbladsnijder is de gastheer van de Gewone kegelbij. De Kegelbij legt haar ei in de wand van de nog open nesten van de Behangersbij. Haar larve doodt het ei of de jonge larve van de gastheer, en leeft vervolgens zelf van de aanwezige stuifmeel-nectarmix.

Wespbijen (Nomada)
Wespbijen zijn broedparasieten (koekoeksbijen) bij andere bijen.
De Roodharige wespbij (Nomada lathburiana) is een koekoeksbij die eitjes legt in het nest van zandbijen.
(foto  Anne Jan Loonstra)

Ze worden zo genoemd omdat ze door de zwart met gele of rode vlekkentekening op wespen lijken. Gastheren zijn verschillende bijenfamilies,  voornamelijk zandbijen (Andrena). De meeste soorten vliegen in het voorjaar wanneer de meeste zandbijen vliegen. Een echte zomersoort is de Heidewespbij, deze parasiteert bij de Heidezandbij. Vrouwtjes van wespenbijen vliegen meestal laag en langzaam speurend over de bodem op geschikte nestplaatsen van de gastheren. In een onbewaakt ogenblik dringen zij het nest binnen en leggen een ei op de voedselvoorraad.

Viltbijen en Bonte Viltbij (Epeolus & Epeoloides)
Viltbijen zijn broedparasieten bij zijdebijen (Colletes), de Bonte Viltbij is broedparasiet bij de Slobkousbijen (Macropis). Ze worden gekenmerkt door het zwart met rode lichaam en de witte vlekken van fijne viltige beharing. De Heideviltbij is de broedparasiet van de Heizijdebij.
Gewone viltbij (Epeolus variegatus) parasiteert op Zijdebijen.
(foto  Anne Jan Loonstra)             


Sachembijen (Anthophora)

Sachembijen hebben een gedrongen hommelachtig uiterlijk en een zeer lange tong. De meest algemene soort is de Gewone Sachembij, deze kan in kleur variëren van lichtbruin tot zwart. Ze vliegen van maart tot mei. Ze leggen de nesten aan in leem of leemachtig zand. Het zijn snelle en behendige vliegers die bij bloembezoek telkens even voor de bloem ‘’stil staan’’. De Gewone Sachembij kan goed gebruik maken van aangeboden bakken met leem als nestgelegenheid of andere stedelijke structuren zoals oude voegen in muren of langs randen van gebouwen.
Gewone sachembij (antrophora plumipes) zit onder het stuifmeel.
(foto  Anne Jan Loonstra))

 

Rouwbijen (Melecta)
Rouwbijen zijn broedparasieten bij Sachembijen (Anthophora). Zij breekt in in diens nesten, doodt mogelijk het aanwezige eitje en legt er vervolgens haar eigen eitje in.
De Bruine rouwbij (Melecta albifrons) is koekoeksbij van de Sachembijen.
(foto  Anne Jan Loonstra)

Hommels en koekoekshommels (Bombus)
De koninginnen stichten al vroeg in het voorjaar een nest waar eerst alleen werksters uit voortkomen. Uit onbevruchte eitjes komen mannetjes. Alleen de koninginnen zorgen voor de voortplanting. Werksters zorgen voor de aanvoer van voedsel en bouwen broed- en voorraadpotten. Er bestaan veel sterk op elkaar gelijkende soorten. De meest bekende soort is de Aardhommel. Akkerhommel (Bombus pascuorum) op Heggenwikke.
(foto  Anne Jan Loonstra)

Hommels die zelf een nest aanleggen worden vaak geparasiteerd door koekoekshommels. Vrouwtjes van koekoekshommels leggen eitjes in de broedpotten van de gastheer en kunnen de gastheerkoningin doden om vervolgens het hele nest over te nemen. De werksters van de gastheer werken dan voor haar.
Gewone koekoekshommel (Bombus campestris) parasiteert in het nest van de andere Hommelsoorten.
(foto  Anne Jan Loonstra)

Zandbijen (Andrena)
Zandbijen danken hun naam aan hun nestelwijze; de nesten worden zelf graven in de bodem, veelvuldig in zandbodems. De meeste soorten vliegen in het voorjaar, enkele in de zomer, zoals de Heidezandbij die op Struikheide fourageert.
De Grasbij (andrena flavipes) hier op een Campanula, is één van de zandbijen.
(foto  Anne Jan Loonstra))

Roetbijen (Panurgus)
Roetbijen vliegen uitsluitend in de zomermaanden en nestelen in zandbodems. Zij danken hun naam aan het feit dat zij een volledig zwart lichaam hebben met zwarte beharing. Ze foerageren voornamelijk op gele composieten zoals Gewoon Biggekruid.
Kleine roetbij (Panurgus calcaratus) hier in paring op de bloem van Biggenkruid.
(foto  Anne Jan Loonstra)


Groefbijen (Halictus & Lasioglossum)

Groefbijen danken hun naam aan het feit dat de vrouwtjes een klein lengtegroefje bezitten aan de
bovenzijde van de achterlijfspunt. Nesten worden gegraven in verschillende soorten bodems. Ze vliegen van het vroege voorjaar tot zeer laat in het najaar. Vrouwtjes overwinteren als volwassen bij en zijn soms tot in november waar te nemen.

 

Bloedbijen (Sphecodes)
Bloedbijen zijn broedparasieten bij andere bijen, zoals zand- en groefbijen. Zij danken hun naam aan de rode kleur van het achterlijf. Sterk in grootte verschillend. Vliegen van het vroege voorjaar tot in het najaar.
Dikkopbloedbij (Sphecodes molinicornis) legt eitjes in  nest van andere wilde bijen.
(foto  Anne Jan Loonstra)

Zijdebijen (Colletes)
Zijdebijen bekleden de zelfgegraven broedcellen met een afscheiding uit een achterlijfsklier welke opdroogt als een zijdeachtig hulsje dat de voedselvoorraad en de larve moet beschermen
tegen vocht en schimmels. De meeste soorten bezitten lichte haarbandjes op het achterlijf. De
Wormkruidbij fourageert veelal op Boerenwormkruid maar ook op andere composieten.
De Wormkruidbij (Colletes daviesanus) is een zijdebij, die de broedcel in de grond bekleed met een soort zijde.
(foto  Anne Jan Loonstra)

 

Maskerbijen (Hylaeus)
Maskerbijen zijn overwegend zeer kleine bijtjes met een kenmerkende witte of gele gezichtstekening die vooral bij de mannetjes een beetje op een maskertje lijkt. Zij verzamelen stuifmeel in de krop en niet zoals andere bijen met verzamelharen. Het lichaam is vrijwel geheel kaal. De nesten worden in bestaande holten gemaakt zoals holle plantenstengels of oude kevergangen maar ook in kunstnesten of rietmatten en zelfs in golfkarton. Ze bekleden hun nest met een waterdicht, zijdeachtig vlies. Ze zijn op allerlei bloemen aan te treffen. Veel op Zandblauwtje, Tormentil en Braam.

 

Samengesteld: Joop Verburg
Informatie en foto’s zijn verstrekt door: Anne Jan Loonstra